Footnote is leuk speelgoed. Hoewel het een door en door Amerikaans product is, zijn er ook over Europese en zelfs Nederlandse geschiedenis aardige dingen te vinden. Zoek maar 'ns op "Rotterdam" en "bombardment". Dat levert onder meer een transcript op van het verhoor van Hermann Göring voor het Neurenberg Tribunaal. Het nazi-kopstuk verklaart daarin dat de Duitse luchtaanval van 14 mei 1940 eigenlijk vrij bescheiden was geweest. De verwoestingen en het grote aantal slachtoffers was volgens hem vooral te wijten aan het laffe optreden van de brandweer. Tsja, je moet wat als de doodstraf je boven het hoofd hangt.
Het mooie is dat je dit soort documenten op Footnote niet alleen kan bekijken, maar dat je er ook van alles mee kan doen. Je kunt ze annoteren - wat eigenlijk wil zeggen dat je er metadata aan hangt - je kunt ze toevoegen aan je eigen pagina en er dan een verhaal bij schrijven en die pagina vervolgens koppelen aan andere pagina's. Allemaal functionaliteit die ook heel mooi zou passen in de denkbeeldige sociale netwerksite voor de geschiedenis van de Friese Zuidoosthoek, waar ik het eerder over had.
De documenten over Europa behoren tot de grote collectie gedigitaliseerde bestanden uit Amerikaanse archieven. Dat zijn allemaal stukken die betrekking hebben op Geschiedenis met een hoofdletter G: de keerpunten, de breukvlakken, de spreekwoordelijke ten days that shook the world. Maar ze brengen die gebeurtenissen soms zo dichtbij dat je ze bijna denkt te kunnen aanraken. De historische sensatie - in de betekenis die Johan Huizinga eraan gaf - is daardoor nooit ver weg. Daarom is het raar dat er relatief weinig met die documenten gedaan lijkt te worden. En wat ermee gedaan wordt, is afkomstig van steeds weer dezelfde personen.
Wat je daarentegen wel heel veel op Footnote aantreft is geschiedenis met een kleine "g", de petite histoire, de omgekeerde schoenendozen met familiekiekjes, pasfoto's, knipsels uit de plaatselijke krant, genealogische informatie, herinneringen. Begrijp me goed, er is helemaal niks mis met petite histoire. Maar het betekent wel dat een flink deel van de bronnen op Footnote zijn beoogde publiek niet bereikt. En dat is best iets om over na te denken.
In mijn ogen onderstreept dat nogmaals de stelling dat confectie niet werkt in deze branche, maar dat je maatwerk moet leveren: alleen díe bronnen waar je doelgroep behoefte aan heeft, en met dát gereedschap waar zíí mee uit de voeten kunnen.
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
donderdag 13 mei 2010
maandag 12 april 2010
#18 Boekenwurm wordt voyeur
Wat doet een boekenwurm die een cursus 23 dingen moet volgen? Die begint met ding 18, LibraryThing. Zo kon het gebeuren dat ik vorig jaar rond de kerstdagen al een account had en driftig boeken aan het invoeren was.
Hoewel ik weet dat er mensen zijn die een andere ervaring hebben, vond ik het catalogiseren met LibraryThing een eitje. Maar goed, mijn referentiekader was dan ook WinIBW van Pica. Om daarin een titel te vinden, moest je gebruik maken van commando's - die ik voortdurend vergat. Hopeloos.
De echte lol van LibraryThing is natuurlijk zien welke van jouw boeken ook bij een ander in de kast staan. Dat verschaft je namelijk een excuus om daar eens schaamteloos in te gaan rondsnuffelen. Ik schep daar groot genoegen in, net zoals ik er genoegen in schep om tijdens een wandeling bij andere mensen door het raam te loeren, om te zien hoe ze hun huis hebben ingericht. Ik geef toe, enig voyeurisme is mij niet vreemd.
Op die manier kom je overigens wel tot verrassende ontdekkingen. Zo blijk ik op LibraryThing niet alleen te staan in mijn fascinatie voor Oost-Europese geschiedenis in het algemeen en Poolse geschiedenis in het bijzonder. Neem nu God's playground van Norman Davies. Dat staat in 86 boekenkasten.
Des te vreemder vind ik het dat Nederlandse geschiedenis zo slecht vertegenwoordigd is. Bij het lichte genre, zoals Geert Maks De eeuw van mijn vader, valt dat nog wel mee. Maar als het een beetje academischer wordt, neemt het aantal boekenkasten fors af. Het alleszins leesbare Republiek van Rivaliteiten van Piet de Rooy komt bijvoorbeeld maar 9 keer voor en een klassieker als Nieuw Babylon in aanbouw van James Kennedy zelfs maar 4 keer. En zo zijn er nog wel meer titels te noemen. Het is mij daarom een raadsel wat het Nationaal Archief en het IISG op Librarything uitspoken.
Hoewel ik weet dat er mensen zijn die een andere ervaring hebben, vond ik het catalogiseren met LibraryThing een eitje. Maar goed, mijn referentiekader was dan ook WinIBW van Pica. Om daarin een titel te vinden, moest je gebruik maken van commando's - die ik voortdurend vergat. Hopeloos.
De echte lol van LibraryThing is natuurlijk zien welke van jouw boeken ook bij een ander in de kast staan. Dat verschaft je namelijk een excuus om daar eens schaamteloos in te gaan rondsnuffelen. Ik schep daar groot genoegen in, net zoals ik er genoegen in schep om tijdens een wandeling bij andere mensen door het raam te loeren, om te zien hoe ze hun huis hebben ingericht. Ik geef toe, enig voyeurisme is mij niet vreemd.
Op die manier kom je overigens wel tot verrassende ontdekkingen. Zo blijk ik op LibraryThing niet alleen te staan in mijn fascinatie voor Oost-Europese geschiedenis in het algemeen en Poolse geschiedenis in het bijzonder. Neem nu God's playground van Norman Davies. Dat staat in 86 boekenkasten.
Des te vreemder vind ik het dat Nederlandse geschiedenis zo slecht vertegenwoordigd is. Bij het lichte genre, zoals Geert Maks De eeuw van mijn vader, valt dat nog wel mee. Maar als het een beetje academischer wordt, neemt het aantal boekenkasten fors af. Het alleszins leesbare Republiek van Rivaliteiten van Piet de Rooy komt bijvoorbeeld maar 9 keer voor en een klassieker als Nieuw Babylon in aanbouw van James Kennedy zelfs maar 4 keer. En zo zijn er nog wel meer titels te noemen. Het is mij daarom een raadsel wat het Nationaal Archief en het IISG op Librarything uitspoken.
dinsdag 23 maart 2010
#14 Artsgnoj? Nooit van gehoord!
Ik heb afgelopen weekeinde de collega's van een ander archief maar eens een dienst bewezen: in Wikipedia heb ik een artikeltje aangemaakt over een stukje Schiedamse historie. Als ik in een goede bui ben, voeg ik daar misschien nog wel een link naar de inventaris aan toe, maar eigenlijk vind ik dat ze dat zelf moeten doen.
Het schrijven van een artikel in Wikipedia is best een lastige klus. De editor die het zijn gebruikers voorschotelt, is namelijk zo basic dat je er niet aan ontkomt om met code aan de slag te gaan. En alsof dat niet genoeg is, maakt de encyclopedie ook nog eens gebuik van een heel eigen markup taal om bijvoorbeeld links te maken of de grootte van een kop aan te geven. Voor gebruikers kan dat een behoorlijke drempel zijn. Daar staat wel heel prettige functionaliteit tegenover: de mogelijkheid van om te free linken bijvoorbeeld. Dat wil zeggen dat je een link kan aanmaken naar een nog niet bestaand artikel. Door die link vervolgens aan te klikken, open je een pagina waarin jij of een ander dat nieuwe artikel kunt aanmaken. Andere pluspunten zijn het tabblad waarop de bewerkingsgeschiedenis van een artikel te bekijken is en dat bij elk lemma een overlegpagina zit, waarmee je vragen of lastige kwesties 'in de groep kunt gooien'. Het zijn dit soort functionaliteiten die de totstandkoming van een artikel in Wikipedia zo open en transparant maken, dat zelfs het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis nu overweegt ze in te bouwen in het Biografisch Portaal.
In een ander opzicht is Wikipedia echter weer zo ondoorzichtig als wat. Voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van een artikel is het goed te weten wie het geschreven heeft en wat zijn of haar achtergrond is. Wie ziet dat het lemma over Kaat Mossel in het Digitaal Vrouwenlexicon is geschreven door Eric Palmen weet dat hij waarschijnlijk geen onzin leest, aangezien Palmen vorig jaar een gedegen studie over Catharina Mulder heeft gepubliceerd. Dat soort informatie ontbreekt op Wikipedia. Sterker nog: de auteurs en redacteurs verschuilen zich meestal achter een pseudoniem. Wie de bewerkingsgeschiedenis van het artikel over het Schiedamse Gemeenteziekenhuis bekijkt, ziet dat het is geschreven door ene Artsgnoj en dat het is bewerkt door een Michiel1972. En wie dat nu weer zijn, weet natuurlijk niemand.
Het schrijven van een artikel in Wikipedia is best een lastige klus. De editor die het zijn gebruikers voorschotelt, is namelijk zo basic dat je er niet aan ontkomt om met code aan de slag te gaan. En alsof dat niet genoeg is, maakt de encyclopedie ook nog eens gebuik van een heel eigen markup taal om bijvoorbeeld links te maken of de grootte van een kop aan te geven. Voor gebruikers kan dat een behoorlijke drempel zijn. Daar staat wel heel prettige functionaliteit tegenover: de mogelijkheid van om te free linken bijvoorbeeld. Dat wil zeggen dat je een link kan aanmaken naar een nog niet bestaand artikel. Door die link vervolgens aan te klikken, open je een pagina waarin jij of een ander dat nieuwe artikel kunt aanmaken. Andere pluspunten zijn het tabblad waarop de bewerkingsgeschiedenis van een artikel te bekijken is en dat bij elk lemma een overlegpagina zit, waarmee je vragen of lastige kwesties 'in de groep kunt gooien'. Het zijn dit soort functionaliteiten die de totstandkoming van een artikel in Wikipedia zo open en transparant maken, dat zelfs het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis nu overweegt ze in te bouwen in het Biografisch Portaal.
In een ander opzicht is Wikipedia echter weer zo ondoorzichtig als wat. Voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van een artikel is het goed te weten wie het geschreven heeft en wat zijn of haar achtergrond is. Wie ziet dat het lemma over Kaat Mossel in het Digitaal Vrouwenlexicon is geschreven door Eric Palmen weet dat hij waarschijnlijk geen onzin leest, aangezien Palmen vorig jaar een gedegen studie over Catharina Mulder heeft gepubliceerd. Dat soort informatie ontbreekt op Wikipedia. Sterker nog: de auteurs en redacteurs verschuilen zich meestal achter een pseudoniem. Wie de bewerkingsgeschiedenis van het artikel over het Schiedamse Gemeenteziekenhuis bekijkt, ziet dat het is geschreven door ene Artsgnoj en dat het is bewerkt door een Michiel1972. En wie dat nu weer zijn, weet natuurlijk niemand.
maandag 28 december 2009
#5 Historici bloggen niet
Wat zouden historici op het web 2.0 uitspoken? Bloggen en twitteren ze? Vormen ze online communities? En waar hebben ze het dan over? Kunnen archieven daar iets mee? Historici vormen tenslotte een belangrijke doelgroep en dus is het goed te weten wat hen bezig houdt.
Helaas is de oogst van een zoektocht met Bloglines, Technorati, Google Blog Search mager. Het is ook lastig zoeken met algemene termen als 'geschiedenis' en 'web 2.0' of 'blog'. Via een omweg kom ik bij Geschiedenisnieuws.nl, een blog met een naam die de lading redelijk dekt. Het Historisch Nieuwsblad, maar dan digitaal: verhaaltjes over vroeger voor een breed publiek naar aanleiding van de actualiteit. In hetzelfde genre hebben we nog Sportgeschiedenis.nl, een site waaraan het Gemeentearchief Rotterdam ooit iets heeft bijgedragen over Feyenoord in de Sovjet-Unie. En verder natuurlijk de geschiedenissites van de Volkskrant en de VPRO. Allemaal heel leuk deze historiserende journalistiek - en zeker nadere beschouwing waard - maar niet wat ik zocht.
Ik ben dus een beetje bang dat de conclusie luidt dat Nederlandse historici niet bloggen, althans niet over hun vak en al helemaal niet over wat internet voor de geschiedbeoefening betekent. Ze vormen ook geen online communities, in elk geval geen communities waar ook gewone stervelingen bij mogen. Ze laten zich sowieso weinig zien op internet. Alleen historische onderzoeksbureaus hebben meestal wel een stekje op het web, maar veel stelt dat in de regel niet voor. Een smoelenboek, een portfolio, een pagina met contactgegevens en dat is het dan.
Hoe anders is de situatie in de Angelsaksische wereld. Tik "digital history" of "digital humanities" in bij Google Blog Search en je krijgt flink wat relevante treffers. Dan blijkt in de VS en Canada al een soort subdiscipline te bestaan. Het artikel The promise of digital history in de Journal of American History van september 2008 geeft een aardige indruk van wat daar speelt. En dat is nogal wat. Het gaat dan om vragen als: hoe ga je om met de overdaad aan bronnen die ontstaat door grootschalige digitalisering, hoe kan je digitale media gebruiken om de resultaten van een historisch onderzoek te presenteren en wat betekent de inzet van die media voor de interpretatie van een bepaald historisch fenomeen, wat zijn de consequenties voor het onderwijs en voor de samenwerking tussen historici?
Het is moeilijk te geloven dat Nederlandse geschiedwetenschappers niet over dit soort kwesties nadenken. Voorlopig komt de enige indicatie dat ze dat wél doen uit de hoek van de sociaal en economisch historici. Wat zij te vertellen hebben gaat vooral over het werken met grote historische databestanden. Ongetwijfeld zijn nog veel andere verhalen over te vertelen, maar het ziet er naar uit dat de archieven daar nog op moeten wachten.
P.S.
Voor de liefhebber: al surfend stuitte ik op Cliopatria's History Blogroll van het History News Network met de links naar zo'n 1000 geschiedenisblogs.
Labels:
bloggende historici,
digital history,
geschiedenis,
web 2.0
Abonneren op:
Posts (Atom)
